Haalbaarheidsonderzoek of direct tweede spoor starten: wat is verstandiger?
Na 104 weken ziekte kan een werkgever verplicht worden om het loon nog maximaal 52 weken langer door te betalen, mits het UWV oordeelt dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. Dit onderstreept hoe belangrijk de vraag “haalbaarheidsonderzoek of direct tweede spoor starten?” is. Deze beslissing gaat verder dan een standaard procedurele afweging; het heeft directe invloed op dossieropbouw, arbeidsgeschiktheid, kostenbeheersing en de kansen van een medewerker op passend en duurzaam werk.
In de praktijk kiezen organisaties er soms voor om een haalbaarheidsonderzoek uit te laten voeren om te bepalen of het starten van spoor 2 zinvol is. Dit is begrijpelijk, aangezien een tweede spoortraject aanzienlijke tijd, aandacht en kosten met zich meebrengt. Echter, het UWV erkent het haalbaarheidsonderzoek niet als een officieel re-integratie-instrument tijdens de eerste 104 weken. Dit betekent dat een tweede spoortraject binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie moet starten als terugkeer naar eigen of aangepast werk niet haalbaar blijkt. Het te laat starten of te vroeg opschalen zonder degelijk arbeidsdeskundig onderzoek brengt risico's met zich mee.
Daarom is een zorgvuldig arbeidsdeskundig onderzoek belangrijk. Het biedt inzicht in wat een medewerker nog wel kan, welke mogelijkheden er zijn binnen het eerste spoor en wanneer opschalen naar spoor 2 belangrijk is. Een weloverwogen besluit begint niet bij gevoel, maar bij feiten. Lees verder in dit artikel over hoe u deze afweging zorgvuldig maakt, met aandacht voor wetgeving, preventie, duurzame inzetbaarheid en vooral de mens achter het verzuim. Voor meer informatie kunt u terecht op de People Concern website.
Haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor: het wettelijke vertrekpunt
Bij de afweging haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor is het wettelijke kader leidend. Volgens het Arboportaal over het re-integratietraject beoordeelt UWV bij de WIA-aanvraag of werkgever en werknemer voldoende re-integratie-inspanningen hebben geleverd. Als die inspanningen onvoldoende zijn, kan dat leiden tot een loonsanctie van maximaal één jaar extra loondoorbetaling. Ook de Wet verbetering poortwachter volgens Arboportaal bevestigt dat risico.
Daarom is de vraag meestal niet óf u moet handelen, maar welke stap op welk moment verdedigbaar is. De Werkwijzer Poortwachter via Arboportaal is hierin duidelijk: een tweede spoortraject moet in beginsel uiterlijk binnen zes weken na de eerstejaarsevaluatie worden gestart, tenzij er binnen drie maanden een concreet perspectief bestaat op structurele werkhervatting in spoor 1.
Voor werkgevers betekent dit dat uitstel alleen verantwoord is als dat perspectief goed onderbouwd is. Voor werknemers betekent het dat een tweede spoor niet automatisch inhoudt dat terugkeer bij de eigen werkgever is opgegeven. En voor de arbeidsdeskundige betekent het dat het dossier moet laten zien waarom spoor 1 nog kansrijk is, of waarom opschaling naar spoor 2 nodig is.
Haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor: wat is het verschil in functie?
Een haalbaarheidsonderzoek en een tweede spoortraject dienen een ander doel. Dat onderscheid is belangrijk in de discussie over haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor.
Een haalbaarheidsonderzoek kijkt vooral naar de vraag of bemiddeling naar ander werk op dat moment kansrijk is. Daarbij worden meestal belastbaarheid, belemmeringen, arbeidsmarktperspectief, motivatie en afstand tot de arbeidsmarkt in beeld gebracht. In de praktijk volgt dit vaak op een arbeidsdeskundig onderzoek. De NVvA over arbeidsdeskundig onderzoek en rapport benadrukt dat een arbeidsdeskundige onderzoekt wat iemand nog wél kan en ondersteunt bij de keuze tussen re-integratie binnen of buiten de eigen organisatie.
Een tweede spoortraject heeft een bredere functie. Het gaat niet alleen om de kans op directe plaatsing, maar ook om het systematisch voldoen aan re-integratieverplichtingen: arbeidsmarktoriëntatie, zoekprofiel opstellen, sollicitatievaardigheden versterken, vacatures onderzoeken en gericht toewerken naar passend werk buiten de eigen werkgever. De Werkwijzer Poortwachter beschrijft dit als een logisch samenhangende reeks activiteiten.
Dat maakt een haalbaarheidsonderzoek nuttig, maar niet gelijkwaardig aan een tweede spoortraject. Wie dat onderscheid niet scherp houdt, loopt risico in de UWV-toets.
Wanneer is bij haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor een haalbaarheidsonderzoek zinvol?
Bij haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor kan een haalbaarheidsonderzoek wel degelijk meerwaarde hebben, mits het op de juiste manier wordt gebruikt. Bijvoorbeeld wanneer er veel onzekerheid is over belastbaarheid, wanneer psychische of sociale belemmeringen de bemiddelbaarheid beperken, of wanneer er twijfel bestaat of de werknemer op korte termijn kan profiteren van een regulier tweede spoortraject.
- welke belemmeringen eerst aandacht vragen;
- of de werknemer al bemiddelbaar is of eerst bemiddelbaar gemaakt moet worden;
- hoe groot de afstand tot de arbeidsmarkt is;
- welke vervolgstappen realistisch zijn in dossier en begeleiding.
Dat sluit aan bij hoe wij in de praktijk naar een haalbaarheidsonderzoek en het moment waarop u dit inzet kijken: niet als vervanging van wettelijke verplichtingen, maar als hulpmiddel om beter te onderbouwen wat de juiste vervolgstap is. Ook in haalbaarheidsonderzoek tweede spoor in de praktijk ziet u dat de waarde vooral zit in verdieping, niet in uitstel zonder vervolgactie.
Voor werknemers kan dit prettig zijn, omdat het onderzoek eerst helder maakt wat haalbaar is voordat een intensief traject start. Voor werkgevers geeft het meer grip op kosten, planning en dossieropbouw. Voor de arbeidsdeskundige biedt het extra informatie om het advies zorgvuldig af te stemmen op belastbaarheid en perspectief.
Waarom bij haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor direct uitstellen risicovol is
Het grootste misverstand rond haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor is dat een haalbaarheidsonderzoek voldoende zou zijn om van spoor 2 af te zien. Juist daar zit het risico. In de aangeleverde onderzoeksbronnen komt steeds terug dat UWV een haalbaarheidsonderzoek niet als formeel alternatief ziet voor de verplichte re-integratie-inspanningen binnen de eerste 104 weken.
De rode lijn in de Werkwijzer Poortwachter en in de UWV-beoordeling is dat gezocht moet worden naar mogelijkheden in eigen of ander passend werk. Ook beperkte kansen op de arbeidsmarkt ontslaan werkgever en werknemer niet automatisch van de plicht om activiteiten in spoor 2 te ondernemen. Het UWV over de beoordeling van het re-integratieverslag maakt duidelijk dat per onderdeel wordt gekeken of voldoende is gedaan. Als dat niet zo is, volgt mogelijk een loonsanctie.
- een haalbaarheidsonderzoek mag een beslissing ondersteunen;
- het mag niet vanzelfsprekend de plaats innemen van een adequaat tweede spoortraject;
- alleen een goed onderbouwd perspectief op structurele werkhervatting in spoor 1 kan reden zijn om spoor 2 nog niet te starten.
Voor werkgevers is dit belangrijk omdat de financiële gevolgen groot kunnen zijn. Voor werknemers is het belangrijk omdat een te afwachtende aanpak later juist meer onzekerheid kan geven. Voor arbeidsdeskundigen is het belangrijk om helder te formuleren wat adviserend en wat verplichtend van aard is binnen het dossier.
Haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor: ook te vroeg starten is niet automatisch beter
De afweging haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor gaat niet alleen over te laat starten. Ook te vroeg opschalen naar spoor 2 kan onjuist zijn. Als spoor 1 nog serieuze mogelijkheden biedt, verwacht UWV dat die eerst zorgvuldig worden benut. Een tweede spoortraject mag dus geen reflex worden zodra terugkeer in eigen functie lastig lijkt.
Dat vraagt om een goede arbeidsdeskundige beoordeling. In wat een arbeidsdeskundige precies doet lichten we toe dat deze professional juist beoordeelt wat nog passend is, welke aanpassingen mogelijk zijn en wanneer spoor 1 uitgeput raakt. Ook re-integratie in eerste spoor en tweede spoor helpt om dat onderscheid scherp te houden.
- start u te laat met spoor 2, dan riskeert u een loonsanctie;
- start u te vroeg, terwijl spoor 1 nog niet serieus is onderzocht, dan kan dat óók tegen u werken;
- de onderbouwing in het dossier maakt het verschil.
Wat is in de praktijk verstandiger bij haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor?
In veel dossiers is het verstandigste antwoord op haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor niet zwart-wit. Meestal is een gefaseerde aanpak het meest verdedigbaar.
Eerst arbeidsdeskundig, dan gericht beslissen
De logische route is vaak:
- actualiseer de medische en functionele belastbaarheid via de bedrijfsarts;
- laat een arbeidsdeskundig onderzoek uitvoeren;
- beoordeel of spoor 1 nog concreet en structureel perspectief biedt;
- zet alleen aanvullend een haalbaarheidsonderzoek in als dat echt nodig is voor nadere duiding;
- start tijdig spoor 2 als structurele terugkeer binnen de eigen organisatie onvoldoende aannemelijk is.
Dat past ook bij de Wet verbetering poortwachter voor werkgevers: niet wachten op perfecte zekerheid, maar handelen op basis van actuele, onderbouwde informatie.
Parallel denken in plaats van óf-óf
Soms is de beste keuze niet “haalbaarheidsonderzoek in plaats van tweede spoor”, maar “haalbaarheidsonderzoek als verdieping binnen een al voorbereide spoor 2-beslissing”. Zeker rond het einde van het eerste ziektejaar kan dat verstandig zijn. U voorkomt dan dat kostbare tijd verloren gaat, terwijl u toch beter zicht krijgt op belemmeringen en kansen.
Voor werknemers helpt dit omdat begeleiding dan beter aansluit bij wat iemand op dat moment aankan. Voor werkgevers beperkt dit het risico op dossiergaten. Voor arbeidsdeskundigen maakt dit het mogelijk om niet alleen juridisch, maar ook praktisch goed advies te geven.
Haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor: waar let UWV uiteindelijk op?
Bij de beoordeling kijkt UWV niet alleen naar het gekozen instrument, maar vooral naar de redelijkheid en volledigheid van het totale traject. Daarbij tellen onder meer mee:
- is op tijd geëvalueerd na het eerste ziektejaar;
- is spoor 1 aantoonbaar onderzocht;
- is een arbeidsdeskundig oordeel betrokken;
- zijn activiteiten in spoor 2 tijdig gestart als dat nodig was;
- sluiten de activiteiten aan op de functionele mogelijkheden van de werknemer;
- is het dossier logisch, actueel en navolgbaar opgebouwd.
De recente werkinstructie van de Rijksoverheid over het toetsen van het re-integratieverslag en het opleggen van loonsanctie onderstreept dat juist die samenhang centraal staat.
Daarom is bij haalbaarheidsonderzoek of tweede spoor de verstandigste keuze meestal: gebruik een haalbaarheidsonderzoek als verdiepend hulpmiddel, maar laat het niet de plaats innemen van tijdige en aantoonbare re-integratie-inspanningen. Zodra spoor 1 onvoldoende structureel perspectief biedt, is een adequaat tweede spoortraject doorgaans de meest verdedigbare stap.
Met een goed onderbouwd dossier en een doordachte inzet van spoor 1 en spoor 2 houdt u grip op het re-integratieproces én verkleint u de kans op een loonsanctie. Het gaat daarbij om timing, onderbouwing en samenhang in uw keuzes.
Key takeaways
- Een haalbaarheidsonderzoek kan waardevol zijn als verdiepend hulpmiddel, maar neemt de wettelijke verplichting tot het inzetten of voorbereiden van spoor 2 niet vanzelf weg.
- UWV beoordeelt uw re-integratie-inspanningen vooral op de onderbouwing, timing en samenhang van de stappen die u zet richting werkhervatting.
- Uitstel van spoor 2 is alleen goed te verdedigen als er binnen afzienbare tijd een reëel, concreet perspectief is op duurzame werkhervatting in spoor 1.
- Ook te vroeg starten met spoor 2 kan ongunstig uitpakken; een arbeidsdeskundig onderzoek helpt u om het juiste moment en de juiste route te kiezen.
- Een gefaseerde aanpak met actuele belastbaarheidsinformatie, arbeidsdeskundig onderzoek en tijdige vervolgacties zorgt in de praktijk vaak voor de beste re-integratieresultaten.
- Door uw stappen goed vast te leggen en onderling te verbinden, bouwt u aan een stevig en transparant re-integratiedossier richting werknemer en UWV.
Zo werken we samen aan duurzame inzetbaarheid: met tijdige keuzes, duidelijke argumentatie en passende re-integratie, zodat uw medewerker zo goed mogelijk kan terugkeren naar werk en u voorbereid bent op een zorgvuldige beoordeling van arbeidsgeschiktheid.